Bezoek hier de recensies, blogs en interviews die over mijn boek zijn geschreven

De berichten staan door elkaar heen. Als je op het plusje klikt zie je het volgende bericht.

Hartelijke groet, Anne

Hilarisch en deskundig gidst onverschrokken Anne Sey ons door Japan

 

Vanuit je stoel op vakantie? Dat is geen straf. We gaan met Anne Sey mee, op de fiets door Japan.
Genoeg water in de beide bidons en fietsen maar. Al verdwijn je in de zoveelste onweerswolk, al fiets je in de miezer, al slalom je langs de grote plassen of fiets je er midden doorheen en spat het water tot je blote knieën; regen is maar iets tijdelijks en Anne is in Japan. Ze spreekt Japans, heeft in Berlijn en in Japan zelf Japankunde gestudeerd, was als jong meisje al verliefd op dit land. Waarom? Liefde valt niet te verklaren.
En passant leren we alles over keramiek, porselein, kloosters en kerken en geschiedenis, over de gewone mensen waar ze onderdak krijgt of waar ze haar tentje mag opslaan, over kwieke oude vrouwtjes achter hun rollator, over de bossen en rijstvelden en overal de zee, over miso-soep en hongerklop en over de bananen en chocola die je dan redden, over vreemde mannetjes waar ze niks van moet hebben en over drie geelgejaste mannen die haar uitbundig uitzwaaien op de kade terwijl ze hen pas een uur kent en over de zakvol zoete koekjes die ze van zuster Agnes meekreeg, over het steengoede beeldende onderwijs dat de kinderen van jongs af aan al krijgen waarvan Anne de resultaten op een tentoonstelling ziet, over de zeven overtredingen die je als fietser kunt begaan plus bijbehorende tekeningen en bijbehorende boetes – wat een geluk dat deze Nederlandse met Oost-Duitse wortels Japanologe is – fietsen op verboden plekken: drie maanden gevangenis of vijfhonderd euro boete, fietsen zonder licht vijfhonderd euro boete, met twee mensen op een fiets of naast elkaar fietsen: tweehonderd euro. Laatste euvel: fietsen met een paraplu: vijfhonderd euro. Zo saai als ik het hier beschrijf, lees Anne zelf deze overtredingen en zit onophoudelijk te grinniken.
Toch een klein citaat. Lees wat ze schrijft over een kommetje dat ze in de handen houdt:
Wabi sabi – dat is de belichaming van drie levenslessen: niets duurt eeuwig, niets is voleindigd, niets is perfect.’ Ik houd het kommetje tegen het licht. Inderdaad, een eenvoudige vormgeving. Met natuurlijk ogende imperfecties die toch opzettelijk zijn toegebracht: in kleur en textuur. Imperfecties als schoonheid, tot kwaliteit verheven. In mijn hand omsloten een klein stukje Japan.
Zo fiets je met Anne mee op een hilarische, leerzame, ontroerende, onverschrokken tocht van vier weken door Japan.Ineke1952, Nijmegen, 1 februari 2021

 

 

Een súper leuk boek met diepgang en heerlijk leesbaar!

  • fijn boek; heerlijke schrijfstijl
  • humor; ontspannen
  • diepgang door te verbinden met geschiedenis

Anne schrijft héérlijk over die prachtige, intrigerende en zich in onze ogen soms zo geheimzinnig gedragende mensen in dat mooie Japan met haar eigen cultuur en gewoontes! Het mooi vorm gegeven boek leest écht als een trein met veel humor. Op een lichte manier brengt de schrijfster tegelijkertijd mooie en waardevolle diepgang aan door knappe verwijzingen en citaten uit verschillende tijdperken van de Japanse en soms Nederlandse geschiedenis. En zij mengt de rijkdom van het verleden op een heel speelse manier met haar eigen “down to earth” fietsbelevingen. Dat doet zij in haar zo menselijke maat als Nederlander, Europeaan, Japannofiel, wereldburger.

Blog en recensie op ERVAARJAPAN

 link: 2 februari 2021

 Stel je wordt verliefd. Niet op iemand, maar op een land. En stel dat jouw situatie het onmogelijk maakt om dat land te bezoeken. Dan wordt die onmogelijke liefde alleen maar sterker. Zo begon het voor Anne Sey, die als jong meisje in de DDR verliefd werd op Japan. Tegen beter weten begon ze aan een studie Japankunde. Toen in 1989, ze was toen bijna klaar met haar studie, de muur viel ging er ineens een wereld voor haar open. Ineens kon ze naar Japan. Haar geliefde Japan. Waarschijnlijk voelde het toen ook al als “terug naar Japan”.

Het is vooral het Japan uit de geschiedenisboeken dat Anne aantrekt. Philipp Franz von Siebold (1796 – 1866) is haar grote held. Als geneesheer kwam Siebold terecht in de Nederlandse handelspost Dejima in Nagasaki waar hij de Japanners les gaf in westerse geneeskunde. Hij was een van de eerste westerlingen die toegang kreeg tot Japan. Het Japan dat hij gezien moet hebben is dat van de samoerai en de eeuwenoude tradities. Zonder de vloedgolf aan westerse invloeden van nu. Zou het niet fantastisch zijn om terug te kunnen naar dat Japan? Terug naar Japan zoals Siebold het ervaren moet hebben?

Het Japan van Siebold was een Japan ongerept door moderne invloeden. De beste kans om zo dicht mogelijk bij dat Japan te komen is op plekken waar het lijkt of de tijd een tijdje stilgestaan heeft. Plekken buiten de grote steden. Zo kwam Anne op het idee om, op z’n Hollands, met de tent achterop de fiets een stukje van Japan te gaan verkennen. “Terug naar Japan” is het verhaal van haar bijzondere ontdekkingsreis door een bijzonder stukje van een bijzonder land.

Ik waardeer de schrijfstijl van Anne wel. Haast naadloos verwerkt ze relevante quotes in haar eigen verhaal, waardoor er direct een link ontstaat met het verleden dat ze probeert te ontdekken. Laat ik haar verhaal eer aan doen en proberen om deze recensie wat completer te maken met een nuttige quote of twee.

Bij een goed boek leer je gaandeweg de spelers kennen en ergens, zo rond bladzijde 100, begin je met ze mee te leven. Katinka900 is het met mij eens: “Het verhaal moet de lezer meenemen. Zintuiglijke waarnemingen van de hoofdrolspelers moeten zodanig zijn beschreven dat de lezer het zich kan inbeelden en emoties kan meevoelen, zonder dat ze de boventoon gaan voeren en daardoor de vaart uit het verhaal halen.” Zo heb ik ook het verhaal van Anne ervaren.

“Terug naar Japan” is (veel) meer dan alleen een reisverslag. Op een leuke manier verbindt Anne haar eigen ervaring in het heden met die van de buitenlanders die Japan over de afgelopen eeuwen bezocht en beschreven hebben.

“De gelige inktvissen hangen wapperend in de zeelucht te drogen. Aan eindeloze snoeren langs het vissershaventje, vastgemaakt met blauwe plastic knijpers. Bij elke windstoot zwaaien ze met hun armpjes en laten die na een paar omwentelingen om hun as even zakken. Ze zijn met ontelbaar velen. Een keurige, gelige rij inktvissen. Zo’n onderarm lang. Daarlangs rijd ik Yobuko binnen. Tot mijn opluchting langs een kleinere soort, dan waarover de Engelse uitgever Thomas Rundall in 1850 waarschuwt: ‘(…) one said to be of such dimensions, that it can scarcely be lifted by two men.’ Eventjes voelt het alsof ik de inktvissen daadwerkelijk een parade afneem. De discipline van de manschappen is uitstekend. Hun lichaamshouding oogt fris en gezond. Hun uniformen zijn keurig op orde. Toch zouden deze jongens dringend iets aan hun lichaamsgeur moeten doen. Een verbeterpunt. ” BLZ. 52

De twee hoofdrollen in dit boek zijn weggelegd voor Anne en Japan, plus een aantal bijrollen en figuranten. Zoals een goed boek betaamt leren we beide hoofdrolspelers onderweg steeds beter kennen. Voor de Japan-kenner voelt de tweede hoofdrolspeler, Japan, al heel snel vertrouwd. Maar je hoeft absoluut geen Japan-kenner te zijn om mee te leven met beide spelers en ze gaandeweg steeds meer te gaan waarderen. Wat ik wil zeggen: “Terug naar Japan” is in mijn beleving een goed boek.

Anne’s liefde voor Japan is herkenbaar. Het heeft wat weg van de manier waarop John Miles zijn liefde voor muziek omschrijft: “Music was my first love, and it will be my last. The music of the future, the music of the past.” Bij mij is die liefde pas later per ongeluk gekomen. Ik leerde mijn Japanse vrouw kennen tijdens een jaar backpacken in Australië. Van het een kwam het ander. Een soort tweede liefde dus, maar even herkenbaar.

Maar ook zonder die bagage en achtergrond, zonder enige voorkennis en als je Japan helemaal niet kent is “Terug naar Japan” heel toegankelijk en waarschijnlijk net zo meeslepend. 

Interview op KaternJapan

link: 10 februari 2021

Gisteren verscheen Terug naar Japan van Anne Sey, Japanoloog, bedrijfskundige, strategisch adviseur én keramist. Anne reisde vaak door Japan, maar deed dat een paar jaar geleden voor het eerst per fiets. In haar boek doet ze verslag van dit avontuur. We spraken met haar over wat haar zo aantrekt aan Japan, wat haar (en ons!) betreft het meest interessante land ter wereld.

 

Je persoonlijke geschiedenis is anders dan die van veel Nederlandse Japanologen: je bent geboren en opgegroeid in de DDR. Kun je je nog herinneren hoe je voor het eerst in aanraking kwam met Japan?

‘Zolang ik me kan herinneren heb ik al ‘Fernweh’, zoals we dat in Duitsland noemen. De term stamt uit de Romantiek, en drukt een verlangen uit naar een plek, ver weg of wat dichterbij, maar in elk geval: daar waar het anders is. Ik kan niet verklaren waar het vandaan komt, maar toen ik op mijn veertiende Reisen in Nippon kreeg, een boek met reisverslagen van drie Duitsers die door het oude Japan reisden, Von Langsdorff, Kaempfer en Von Siebold, was mijn interesse direct gewekt. Ik las het boek letterlijk stuk en stelde me voor hoe bijzonder het voor hen moet zijn geweest om in die tijd toegang te hebben tot zo’n afgesloten land. Het was zó anders dan wat ik kende.’

Vervolgens heb je besloten om Japans te gaan studeren. Dat lag vast niet voor de hand in Oost-Duitsland.

‘Totaal niet. Japan was een land aan de andere kant van de wereld, het was politiek onbelangrijk. Op school verklaarden ze me voor gek toen ik aangaf Azië-kunde/Japankunde te willen studeren. De DDR was klein, economisch fragiel, en van burgers werd verwacht dat ze iets nuttigs studeerden zodat de staat er later iets aan had. Alleen aan de Humboldt-Universität in Berlijn was een faculteit Azië-studies. Bovendien kreeg je daar een taal toegewezen, dus het had net zo goed Sanskriet, Farsi, of Vietnamees kunnen zijn. Ze lieten maar zeer beperkt mensen toe, het toelatingsexamen was zeer streng. Ik haalde het dan ook niet in één keer. Maar de keuze die ik toen kreeg, wiskunde of arbeidspsychologie, vond ik zo oninteressant, dat ik heb besloten dan maar twee jaar te gaan werken en het nog één keer te proberen. Toen ben ik na twee jaar intensieve voorbereiding toch aangenomen, en – dat was een geluk bij een ongeluk – ook nog voor Japankunde.’

‘Fernweh’ drukt een verlangen uit naar een plek, ver weg of wat dichterbij, maar in elk geval: daar waar het anders is.

Hoe was het om dan toch Japans te kunnen gaan studeren in het naar binnen gekeerde Oost-Duitsland?

‘Anderhalf jaar geleden was ik in Berlijn, en ben ik op de universiteit langsgegaan. In één van de binnentuinen stond nog steeds het kleine bungalowtje uit de jaren zestig, waar we destijds les hadden. Het was totaal onveranderd, tot de geur aan toe. Dat was heel nostalgisch, het voerde me terug naar mijn studiejaren. Al waren die nog best pittig: we hadden vijf, soms zes, dagen per week les. In economie, politiek, geschiedenis, kunst en cultuur, linguïstiek, stenografie, noem maar op. En al die vakken werden gegeven door voornamelijk docenten die Japankunde erbij deden, zich uit interesse in die onderwerpen hadden verdiept. Het studiemateriaal was enorm beperkt. Vanzelfsprekend was er geen internet, maar er was ook geen uitgebreide bibliotheek met boeken over het land waarop we konden terugvallen.’

Hoe leerden jullie dan de taal?

‘Grotendeels van Duitse docenten, maar gelukkig was er ieder jaar ook een Japanse gastdocent, die ze op een of andere manier konden laten overkomen. Hoe, dat wisten we niet – er waren zo goed als geen buitenlanders uit zogenaamde kapitalistische landen  in de communistische DDR – maar dat hielp enorm. We hoorden de klanken zoals ze hoorden te klinken. Eén van mijn Japanse docenten was er sowieso op gebrand ons zoveel mogelijk over de rest van de wereld te leren. Hij mocht reizen tussen West- en Oost-Berlijn, en bracht naast bijvoorbeeld woordenboeken voor ons, allerhande etenswaren mee terug. Ik herinner me nog levendig mijn eerste kiwi.’

Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe dat moet zijn geweest, omgeven als ik was door al het denkbare studiemateriaal en een keur aan gespecialiseerde docenten van over de hele wereld.

‘Het was niet altijd even leuk, en ik had weinig te besteden, maar toch kijk ik er met genoegen op terug. Ik wilde het zó graag bestuderen, ook al wist ik dat de kans enorm klein was dat ik ooit naar Japan zou mogen. Het IJzeren Gordijn verdeelde Europa nog altijd. Er ging heel af en toe iemand, maar daar mocht ik niet op rekenen. In mijn boek verwijs ik naar Johannes Hoffmann. Zijn verhaal inspireerde me: hij vertaalde Japanse bronnen voor Von Siebold, de Duitse arts in Nederlandse dienst. Hoffmann zou nooit naar Japan reizen, maar leerde zichzelf met zeer beperkte middelen de taal, werd de eerste hoogleraar Japans (en Chinees) aan de Universiteit Leiden en schreef bovendien een standaardwerk over de grammatica.’

En toen viel toch de Muur, in november 1989.

‘Nog geen jaar later reisden een aantal medestudenten en ik naar Japan. Op kosten van de Tokai-universiteit mochten we een jaar in de buurt van Tokio wonen. We kregen zelfs een maandelijks bedrag om in ons levensonderhoud te voorzien! In oktober 1990, één maand na aankomst, vond de Duitse hereniging plaats en bestond mijn land niet meer. Toen ik in 1991 via Schiphol terugvloog, werd ik dan ook even apart genomen – zo’n paspoort hadden ze nog nooit gezien! Dat was erg komisch, maar ook wel vreemd. Ik besefte toen voor het eerst hoe zeer mijn wereld was veranderd.’

Weet je nog wat je dacht toen je voor het eerst in Japan aankwam?

‘Een medewerker van Tokai haalde ons op in – zoals altijd in Japan – een klein wit busje. Ik weet nog dat die man iets opmerkte in het Japans, en ik hem direct verstond. Dat was een openbaring. De Japanse taal bestaat dus écht! Ik had ook helemaal geen heimwee naar Duitsland, ik vond typisch Japanse fenomenen niet raar of mysterieus. Integendeel, ik vond het nog prachtiger dan ik me ooit had durven voorstellen. Het was een enorm fysieke ervaring – het rondlopen, dingen zien en aanraken die ik alleen maar van plaatjes kende. Ik wist hoe ik moest slapen op een tatami-mat, ik zag de keramiek, de blokdrukprenten, het bleek allemaal echt te bestaan.’

Vond je het tegelijkertijd ook niet lastig om ineens heel ergens anders te zijn?

‘De sociale omgangsvormen bleken in het echt alsnog wel ingewikkeld. Op zich was ik goed voorbereid, want de Oost-Duitse cultuur is een stuk minder nonchalant dan de Nederlandse, veel hiërarchischer. Die rangschikking vond ik in Japan ook terug. Eén van onze docenten aan Tokai was een beetje een gemene man, die ons onder druk zette, ik denk om zichzelf beter te voelen. Als je even niet oplette, pikte hij je eruit en maakte hij je verbaal echt een kopje kleiner. Dat vond ik wel schrikken, zeker in het begin.’

Wat is je meest waardevolle herinnering aan die periode?

‘Dat zijn er twee. Ten eerste besefte ik op een zeker moment dat, ook al gedragen Japanners zich in veel opzichten wellicht anders dan Duitsers of Nederlanders, mensen uiteindelijk in de kern overal ter wereld hetzelfde zijn. Nieuwsgierig, belangstellend, vrijgevig, en soms gemeen. Het gaf me het diepe vertrouwen dat ik overal wel kan aarden. Dat was ook nodig, want contact met thuis was er nauwelijks. Veel Oost-Duitse huizen hadden nog geen telefoonaansluiting, en niet elke Japanse telefoon belde naar het buitenland. We konden brieven sturen, maar die waren een maand onderweg. Ik kon in één jaar tijd drie keer met thuis bellen.’

En je andere waardevolle herinnering?

‘Dat ik besefte dat Japan voor altijd een constante in mijn leven zou blijven. Japan werd mijn venster op de wereld, naar schoonheid, blijheid, kunst en cultuur. Ik benader dat allemaal via Japan. Dat betekent niet dat het elders niet bestaat, maar ik vond en vind het vooral daar. Een karaktertrek die Japanologen kenmerkt, en niet-Japanfanaten hun ogen doet verdraaien: “Ja, ja, ik weet het. In Japan is het allemaal bijzonder.”’

..Dat ik besefte dat Japan voor altijd een constante in mijn leven zou blijven. Japan werd mijn venster op de wereld, naar schoonheid, blijheid, kunst en cultuur. Ik benader dat allemaal via Japan. Dat betekent niet dat het elders niet bestaat, maar ik vond en vind het vooral daar..

Toen we elkaar kort spraken voorafgaand in dit interview, hadden we het over de twee snelheden waarop Japan draait. Er is het oude, tragere Japan, en het moderne, razendsnelle, nauwelijks bij te houden Japan. Waarom is dat zo, in jouw optiek, en botsen ze niet soms op elkaar?

‘Waarom, dat vind ik heel moeilijk te beantwoorden. Japanners hebben, merk ik, de behoefte om de oude tradities in ere te houden, de schoonheid ervan te ervaren, en bekwamen zich er daarom in. Maar, misschien kunnen we het omdraaien: waarom ook niet? Het biedt namelijk de kans te blijven genieten van schoonheid, van wat voor beschaving de mens toe in staat is.. Er is in Japan zoveel dat het voortbestaan van oude tradities bedreigt, van de verschrikkingen van de oorlog tot aardbevingen en andere natuurrampen aan toe, en dat ze toch bijvoorbeeld die oeroude tempels en schrijnen overeind houden, en zoveel waanzinnig goede musea over hun traditie en cultuur hebben, vind ik erg inspirerend. En inderdaad, soms botst dat oude Japan met het nieuwe. Dat is voor buitenstaanders best een vreemde gewaarwording. Neem, bijvoorbeeld, de kleine Shinto-schrijn op het dak van het moderne centraal station van Fukuoka. Kleine, hartvormige steentjes wijzen mensen de weg daarnaartoe. Ik vind dat zo mooi, want het vloekt met elkaar, maar gaat tegelijkertijd ook goed hand in hand. Je ziet dat ook terug in de manier waarop Japan de vier seizoenen waardeert. Het keert overal terug, in voeding, kleding, poëzie noem maar op. Ze vinden de schoonheid in de kleine dingen. Nergens, tenminste zo ervaar ik dat, is dat zo uitgesproken als in Japan.’

 

Het keert overal terug, in voeding, kleding, noem maar op: Ze vinden de schoonheid in de kleine dingen. Nergens is dat zo uitgesproken als in Japan.

Heeft het, wat jou betreft, ook nadelen?

‘Ja, want je ziet toch ook dat, zelfs in een land dat zo zuinig is op tradities, deze soms worden ingehaald door de moderniteit. Ik gun de mensen tijd om te beseffen wat al die zogenaamde vooruitgang met hen doet. Urbanisering en industrialisering kennen voordelen, maar ontegenzeggelijk ook negatieve kanten. Tegelijkertijd merk je ook dat Japan niet altijd bij machte is om te moderniseren. Ondanks de urgentie na de ramp in Fukushima in 2011, was er een enorm onvermogen om die situatie adequaat op te lossen. In plaats daarvan hield de overheid heel star vast aan rigide manieren van besluitvorming en informatieverstrekking. Dat is om soms horendol van te worden, zeker in dat geval. Tegelijkertijd geeft dit me de, misschien naïeve, hoop dat het ze lukt om voor wat betreft het (te snelle) loslaten van tradities ook een pas op de plaats te maken.’

Is het, zoals je in het boek betracht, dan niet moeilijk om het oude Japan, toen daar de eerste westerlingen aan wal stapten, terug te vinden? En als, waar dan?

‘Dat kan bijvoorbeeld in Kyoto. Vanwege de enorme hoeveelheid aan tempels en schrijnen. Dat is echt mijn lievelingsstad, overigens ook vanwege de musea, de ouderwetse woonwijken, de prachtige bergen aan de noordzijde. Al merk ik ook daar dat ik hunker naar vroeger tijden. Ik zie de enorme hoeveelheden toeristen die door die stad worden gepompt. Dat is natuurlijk ook heel dubbel, want uiteraard hebben zij net zoveel recht op Kyoto als ik. Maar soms maak ik me zorgen over hoe lang de stad dat nog aankan.’

En heb je ook een favoriete plek in Japan?

‘Ja, dat is het pottenbakkersplaatsje Mashiko. Ik heb daar stagegelopen, in een oude pottenbakkerij. Die werkplaats, die plek waar ik die drie weken heb mogen zitten, zie ik nog zo voor me. Een heel oud gebouwtje, krakkemikkig, ik zat op een soort meterhoog, houten platvorm met daarin een grote uitsparing voor de draaischijf.  Links stond een grote bak water, rechts een stapeltje planken waarop ik de gedraaide potjes liet drogen. Boven mij hing een lichtpeertje, voor me waren grijs getinte ruiten die nauwelijks daglicht doorlaten, achter mij stond de houten kachel, speciaal voor mij extra warm gestookt, omdat ik zo kouwelijk ben. Ik herinner me de theekommetjes, bedoeld voor de dagelijkse pauzes, telkens om klokslag 10u en 15u. Omdat ze wisten dat ik Hamada Shoji, beroemd Japans pottenbakker, enorm bewonder, hadden ze voor mij een kom die in zijn werkplaats was gemaakt.’

Je bent natuurlijk zelf ook keramist geworden – waar komt die interesse vandaan, en kun je er ook je liefde voor Japan in kwijt?

‘Een kennis van mijn ouders nam me op mijn veertiende mee naar een opgraving. In het noordoosten van Duitsland zijn veel sporen uit de Bronzen- en oud-Slavische tijd. Ik heb daar drie zomers duizenden scherven opgegraven, ik vond het schitterend. Toen ik terugkwam uit Japan, moest ik nog afstuderen, alleen het probleem was dat na terugkomst mijn studie door de vereniging van Duitsland niet meer bestond. Dat was een pittige verrassing. Ik klopte aan bij de Vrije Universiteit in voormalig West-Berlijn, waar ze twee jaar van mijn studie erkenden. Dat betekende dat ik nog twee jaar moest studeren, met twee bijvakken. Ik koos archeologie en antropologie. Na mijn studie heb ik deelgenomen aan meerdere archeologische onderwateropgravingen in Marseille, op Corsica, in Israël en in Japan. Keramiek is me altijd blijven fascineren. Ik had tijdens mijn eerste Japan-reizen niet veel geld, maar wat ik had, besteedde ik daaraan. De kommen en kopjes die ik toen kocht, heb ik nog steeds in de kast staan.

In Nederland zochten ze aan de universiteit in Nijmegen iemand met mijn profiel. Ik ben daar gepromoveerd, heb aan verschillende universiteiten gedoceerd en onderzoek gedaan en daarna de overstap naar de nationale politie gemaakt. Maar keramiek en Japan bleven trekken, vandaar dat ik me inmiddels volledig richt op keramiek, waarvan de vormgeving en glazuren door Japan zijn geïnspireerd.’

Heb je niet stiekem overwogen om in Japan te gaan wonen?

‘Vaak! Ik heb het direct na mijn studie voor het eerst overwogen. Maar ik had geen rooie cent, en wilde promoveren. Dat was daar nog lastiger geweest. Ik heb daarna wel vaak gedacht om te verhuizen, maar mijn man had zijn werk en familie hier, en ik in Duitsland. Het kwam er niet van. Er was geen pushfactor om hier weg te gaan, en daar geen pullfactor in de vorm van een kans die het waard was alles hier achter te laten. Ik heb wel gekeken naar vacatures, maar die waren het niet waard om voor naar Japan te vertrekken. Op een gegeven moment was het goed zo. Ik ben hier blij, geniet van mijn liefde voor Japan. Als ik knorrig word omdat ik te weinig Japan heb gehad, reis ik er – onder normale omstandigheden natuurlijk – heen. Dan heb ik weer een paar weken dat ik me volledig kan uitleven, en dan is het ook fijn om hier weer terug te keren. Juist de afwisseling is erg prettig.’

 

Ik snap het volledig

‘Want op deze manier kunnen we van de leuke kanten van Japan genieten. We hoeven niet in veel te kleine huisjes te wonen voor heel veel geld, hoeven ons niet kapot te werken. Daar je boterham verdienen, lijkt me vreselijk moeilijk. En bovendien worden we niet voortdurend gevraagd of we wel met stokjes kunnen eten, krijgen niet voortdurend te horen dat we goed Japans spreken (maar niet heus). Beide situaties zijn ongetwijfeld zeer herkenbaar voor wie langere tijd in Japan doorbracht. Er écht bij horen, is lastig.’

En waarom heb je, ten slotte, besloten om dit allemaal vast te leggen in een boek?

‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen hobbyproject. Ik heb tijdens mijn fietsreis elke avond opgeschreven wat ik heb meegemaakt, wie ik heb gesproken. Een aantal jaar later vond ik het zonde om dat zo weggemoffeld te hebben in de kast. Ik besloot om er een verhaal van te maken, eerst voor mezelf, pas later bedacht ik dat het ook interessant voor anderen zou kunnen zijn. Dat gaf me het excuus om in bepaalde onderwerpen te duiken, zoals de Japanse invasie van Korea. Zo heb ik stukje voor stukje bepaalde onderwerpen uitgewerkt en uitgediept. Het werd meer en meer, ik besefte totaal niet dat het uit de hand liep. Uitgevers die ik sprak vroegen, volledig terecht, of het niet ietsje dunner mocht. Daarom heb ik herschreven en geschrapt, en vond ik de rode draad: de sporen van de oude reizigers in Japan. Ik ben heel benieuwd wat lezers ervan vinden!’

Wil je een exemplaar van Terug naar Japan winnen?
Anne droomt graag van pottenbakkersdorp Mashiko. Wat is jouw favoriete plek in Japan? Of als je nog niet geweest bent – waar zou je als eerste heen gaan? En waarom? Het meest bijzondere antwoord mogen we belonen met een exemplaar!

 

 

Interview Weekblad Regio Oss: 'Japan het meest interessante land van de wereld'

 DEURSEN-DENNENBURG | Op de vraag waar ze na de coronacrisis op vakantie wil, hoeft Anne Sey geen seconde na te denken. De inwoonster van Deursen-Dennenburg is afgestudeerd japanoloog en inmiddels al ruim twintig keer in Japan geweest. Ze heeft onlangs het boek ‘Terug naar Japan. Verslag van een ontdekkingsreis’ uitgebracht. Het resultaat van een bijna duizend kilometer lange fietstocht door het ‘land van de rijzende zon’.

Haar liefde voor Japan ontstond toen Anne een jong meisje was. Ze droomde altijd al om naar een plek te gaan zo ver mogelijk van Duitsland, het land waar ze opgroeide. Op haar 14e kreeg ze een boek met daarin een compilatie van enkele reisverhalen in Japan. Het speelde zich af in de 18e/19e eeuw en beschrijft de avonturen van drie geneeskundige dan wel natuurvorsers, die als een van de  eerste westerlingen in Japan aan land kwamen. In het boek staat hoe moeilijk het was om toegang te krijgen in een vrij gesloten land met een compleet andere taal. Het leek bijna onmogelijk om daar meer te weten te komen over het dagelijkse leven van de Japanners en hun cultuur en geschiedenis, maar door er heel veel moeite in te stoppen, is het ze wel gelukt. “Ik was op slag verliefd op Japan. Na het lezen van het boek ben ik me verder gaan verdiepen in het land, zowel in de cultuur en de economie. De daaropvolgende jaren ben ik regelmatig naar Japan afgereisd. Voor mijn afstudeeronderzoek bijvoorbeeld, maar ook voor mijn promotieonderzoek en vele keren als vakantie.”

Japanse ambachten
Ondanks dat ze al zeker twintig keer in Japan is geweest, verveelt het haar nooit. “Het is een feest van herkenning in het meest interessante land van de wereld. Van mooie tempels, klassieke tuinen, musea tot oude woonwijken, er is zoveel moois te zien. En niet te vergeten de Japanse ambachten, fantastisch wat ze met hun handen kunnen maken”, zegt Sey, die in het dagelijks leven keramist is en werk maakt geïnspireerd door Japanse vormgeving. “Maar ik ontdek ook telkens nieuwe dingen. Japan is zich gigantisch aan het ontwikkelen. Je ziet ook heel veel subculturen. Het is een land van gekke tegenstellingen. Op het dak van het enorme station met verdiepingen aan winkels zie je bovenop een religieus gebouw. Het oude en nieuwe worden op een leuke manier met elkaar verbonden.” Tussen de Japanse en Nederlandse cultuur zijn uiteraard ook verschillen. “In feite zijn we allemaal hetzelfde soort mensen. Maar als ik kijk naar de sociale omgang, dan zijn de Japanners heel erg zorgvuldig. En een ander voorbeeld: in hoofdstad Tokio zijn er ongelofelijk drukke stations. Maar iedereen wacht daar netjes op z’n beurt.”

Reisverhaal
Het boek wat haar de liefde voor Japan opleverde, stond centraal tijdens haar fietstocht die begon bij een zuidelijk gelegen eiland. Sey ging op zoek naar de eerste ontdekkingen door westerlingen. Ze sloeg haar tent op in een tempel, logeerde in een kerk, sliep achter een grafheuvel, kwam terecht in een nuffig huwelijkspaleis, werd uitgezwaaid door ontelbare inktvissen, sloeg op de grote bronzen bel van een kasteel en ervaarde de oneindige pijn van de boeddhistische hel en de levensverlengende krachten van bronwater. “Het was een avontuurlijke reis door het Japan van nu, dat eigenlijk niet zoveel anders is dan het oude.” Het reisverhaal is te koop bij alle boekwinkels.

Leeservaring op Blog BerentschotTekst

Recensie Perry Pierik uitgeverij Aspekt

link: 18 februari 2021

 

Japan, wabi sabi en de verzoening met het imperfecte

Wat is er Nederlandser dan fietsen? Anne Sey combineert deze heerlijke Nederlandse eigenschap met het wonderlijk schone Japan. Daarmee zet ze een oude traditie voort van wederzijdse fascinatie. Want Nederland was een van de eerste landen dat toegang kreeg tot het mysterieuze eilandenrijk. Het was in 1600 dat het schip ‘Liefde’  de ankers uitwierp voor het eilandje Kuroshima. Een ook vandaag de dag nog is de Nederlandse handelspost in Nagasaki, dat we eigenlijk alleen van het bombardement uit 1945 kennen, in Japan een begrip. Dat is mooi om te zien, en Anne Sey introduceert deze pareltjes aan ons. Op een bijna 1000 kilometer lange fietstocht worden de geheimen van Japan langzaam voor ons blootgelegd.  De fascinatie is van alle tijden. Kapitein van Assendelft de Coningh beschreef zijn voorliefde voor de schoonheid van het land al in oude teksten.

                Japan wordt nu opnieuw ontdekt. Eens anders dan als industriële gigant of land dat we kennen uit de oorlog. Het is dan ook letterlijk een ontdekkingsreis, en met literaire kwaliteit. De auteur studeerde dan ook niet voor niets Japankunde aan de Tokai universiteit in Japan, en was vervolgens veelvuldig in het land. Dit boek is een enorme stimulans voor ieder die nog eens kennis wil maken met deze even wonderlijke als verrassende wereld, waar kunsten als kalligrafie, bloemschikken en poëzie hand in hand gaan met een bewonderenswaardige industriële kracht.

                Hoe is dat alles te combineren? De auteur ontdekt het achter een grafheuvel waar zij de nacht door brengt, en kennismaakt met het zogenaamde wabi sabi, de verzoening met het imperfecte. Dat is iets waar we in het Westen veel van kunnen leren. Het idee van de maakbare werkelijkheid heeft immers enorme schade aangericht in de wereld, en soms is het beter je te schikken naar natuur, biologie en het lot. Terug naar Japan, zoals het reisverslag getiteld is, is daarom ook naast een bron van inspiratie een leerrijk boek over hoe de vraagstukken van het  leven ook gezien kunnen worden. Tijd wordt een relatief begrip, fietsende langs de kust van de Amakusa’s eilanden met z’n mosseledelstenen.  Gastvrijheid voelt als een warm bad.

                Een mooi en inspirerend boek voor fiets- en reisliefhebbers , maar ook voor mensen met een historische belangstelling. Japan is onderdeel van het Westen en toch ergens een verre neef. Anne Sey is er in geslaagd deze verre horizon onder handbereik te brengen.

 

 

Nieuwsbericht op Haiku.nl 'Boeiend reisboek'

 Reizen in coronatijd is moeilijk. Gelukkig zijn er boeiende reisboeken om bij weg te kunnen dromen. Altijd al naar Japan gewild? Lees dan het boek ‘Terug naar Japan’ van Anne Sey. Ze is japanoloog en vele malen in Japan geweest. In dit boek neemt ze je mee op haar ontdekkingsreis. Op zoek naar het oude Japan, toen daar de eerste westerlingen aan wal stapten.

Wil je al vast een voorproefje van mijn boek lezen?

Klik dan op onderstaand logo en lees een uittreksel van mijn boek

ATELIER

Hoogstraat 48

5352 LC Deursen-Dennenburg

The Netherlands

+31 (6) 18 90 65 93

info@annesey.nl

 

Open op woensdag van 19.00 -20.00 uur en op afspraak